Pajottenland+ V.Z.W.

AAN MIJN PAJOTTENLAND

Geen vers werd, u ter eer, mijn Land, geschreven ... Geen boek dat van uw sterk-vroom volk verhaalt... Geen zang werd van uw schoonheid aangeheven en geen penseel heeft uw natuur gemaald ...

Zo bleef dan mij, - mij, op uw grond geboren, en die 't zo vaak, voorheen, beproeven wou, doch te vergeefs, - 't voorrecht en de eer beschoren, de eerste te zijn, die u bezingen zou. Ik was nog knaap, toen ik u moest begeven....- Wat deed dat veel te vroege scheiden zeer!- Maar onverbleekt, diep in mijn ziel, bleef leven uw beeld, en telkens keerde ik tot u weer... Aan Vaders hand doorliep ik uw landouwen, uw schawrijk bos- en weeldrig akkerland... 'k Vond u de heerlijkste aller Vlaamse gouwen en roemde u stout Oud-Brabants lustwarrand! Ik weet geen streek, die het bij u kan halen in veie vruchtbaarheid en schoonheidsglans. Uw groene heuvels en nog groener dalen omringen Brussel met smaragden krans.

Van Vlaandrens Dender tot de boord der Zenne golft gij en deint in lijnen, hoog en diep ... Geen nijverheid kwam nog uw schoonheid schennen, uw schoonheid, ongerept, als God haar schiep. Wat stond ik vaak, in 't morgen zonnegloren, op Leeberg-heuvelof bij d'IJzren man! Uit ieder dorpken spichtte een spitse toren ... op elken kouter zwoegde een paardenspan ...

Op twintig hillen toonden twintig molens hun draaiend wiekenkruis, reusachtig groot... In al de weiden vaarzen, paarden, volens ... Op al de daken tonig pannenrood...

Ik stond er tegen avond, als, in 't Westen, de zonne, heevlend uit de zee, wolken opstapelde om ter wereld vesten, waardoor zij lange stralen vlammen de:

die draaiden dan, als reuzenradrensspaken, bloedroden schijn verwaaierend over't land; van kim tot kim ging al 't geboomte aan 't blaken en dal en berg bloosden in paarsen brand.

Ik stond er, als, op God weet hoeveel kerken, klokjes en klokken luidden 't avondlicht: op al de stukken zag ik 't volk het werken staken als op een teken; 't aangezicht,

nog rood van zon, afdrogen met de mouwen; 't allaam schoonvegen; 't schoudren, om dan ras langs weg en wegel,-mannen meisjes, vrouwen,- huiswaarts te schrijden met gemeten pas.

Dan zag ik in de lucht, aan 't schitterbleken, verpluimen en verwuiven al 't geboomt', van elk gebouw de strakke lijn verweken, de weiden wit, gelijk met melk beroomd...

Op ns was alle kleur als weggeblazen, geweerd een heel zacht blauw, dat heel de streek, van lieverlede hulde in vage wazen, waardoor weldra, dromend, het maantje keek.

Ik stond er soms, als t' onweer uitgewoed had en heel het Oosten n wolk was, grauwgetint. Dan, en of daar alles plots een eigen gloed had, zag ik de bomen, schuddend in de wind,

arduinen kerken, kalkwitte kapellen, roodstenen hoeven, huisjes zonder tal, schijnbaar veel dichter, scherp omlijnd, in hellen en fellen schijn, blinken door heel het dal.

Dan kwam het wonder, 't eeuwig hemelwonder: ver aan de versten einder, steeg van zelf, een brug van scheemrend kleurlicht, die, van onder naar boven kromboog, wijd in 't weids gewelf!

en langs die pijlerloze toverbrugge liep vonkelend geflonker, zevenvoud van toon en tint, nu opwaart dan terugge, rijk als 't gevedert, dat de pauw ontvouwt!...

Ik stond er in de eeuwig-jongen "Uitkom", zoals, van ouds, 't volk hier de Lente noemt, Als 't al weer tiert, en bot en knopt en spruit, om het snelst en schoonst, al bloesemt en bloemt;

als, groenend pas, de wilde hazelaren vol "katjes" hangen, en 't geheel gewest schalt van de weergekeerde vogelscharen, zoekend naar plekjes voor het nieuwe nest.

Dn moet m'u zien, mijn Land, als heinde en verre, hovingen, boogaards, nu bebladerd weer, bepoeierd staan, als met sneeuw van sterren, met tere bloesems, schoner steeds en meer;

als in elk dorp tien twintig boogaards spreiden hun ruikers uit op 't eigen loofgewaad, en gans de streek, zo ver een oog kan weiden, n enkele boomgaard lijkt, die bloeiend staat.

Ik zag vandaar des Zomers kleurenweelde! hier golvend graan of tarwe,gelend al.... Daar witte boekweit, waar wat rood in speelde... Ginds koolzaad, als een gele waterval...

De weiden, tintelgoud in 't zonneflitsen, en, tussen stuk en stuk, gelijk een muur, olmen en populieren, die hun spitsen of stompen kop opstaken in 't azuur.

En zie! 't Is oogst! Op alle kouters klinken De kromme "pikken " in der maaiers hand. Als bliksemschichten zie 'k de sneden blinken; Het topzwaar graan valt, root bij root, in 't zand

Dra staan, in onafzienbaar lange reken, de "tienlingen te drogen in de zon, zo dat men de aren"kesteren" hoort en spreken".... De zanter raapt, wat men niet binden kon. 't "Inhalen" zie ik! Rond een ladderwagen, die vederlicht over de stoppels reed, n lopen is 't, een slepen, draven, dragen: knapen en meisjes, ' aangezicht bezweet en rood van hitte onder de hoedrand, reiken, gooien en gaffelen de schoven aan, die zorgzaam dan de "laders" nederstrijken in laag op laag, totdat zij eindlijk staan op een vijf meter hogen berg van gele rakende tarwe, en, in de avondgloed, planten de "mei", waarrond hun kindren, vele, zitten en zingen...Hoor! De horen toet! De meester geeft het sein...De felle paarden trekken; dissel en raadren kraken; de as buigt van 't gewicht; de wagen zinkt in de aarde en de dieren kreunen, krochen!...Op dit pas springt vr zijn span de voerman, grijpt met beide zijn knuisten 't steigerend koppel bij het zeel en trekt en sleurt en wringt, totdat zij,-mijde, maar moetend, mak- wr aanleggen met heel de macht en kracht van kossem, pezen, spieren!.... Gejoel, gezang! Goud, in het goud der kim, terwijl de kinderen met meien zwieren, de wagen bolt, vol flikrend lichtgeglim! 'k Zag er de Herfst het hele landschap malen in mauve en bruin, daarna in ros en goud. Elk' avond vult een fijne mist de dalen! Elk' ochtend zijn de heuvels nat bedauwd! De gele en rosse bossen lijken branden van hele dorpen in de laai der zon, en de aarde der braakliggende akkerlanden is donkerpurper gelijk bloed, dat ron. En dan die boogaards! Hesperidentuinen, weeldriger, rijker dan de Fabel leert. Tot de aarde bukken de overladen kruinen der appelaars, verwrongen en verweerd. De bomen zijn niet langer bomen! Mijten zijn 't, stapels, bergen geurig, saprijk ooft, de wandlaar nodend, om er in te bijten, z, wij! De zon met haar warmte stooft. Ik stond er 's Winters ook als, ongenadig, sneeuwbui na-bui heenkruide heinde en ver, en 't witte manna neerviel, overdadig, in millioenen vlokken...Her en der ging dan een dorp, en wr en dorp, aan 't blanken, tot elke berg en berm in heel de gouw, een bont van hermelijn droeg om zijn flanken, en' 't al n witheid was, omzoomd met blauw! Eens stond ik er, de dag van Allerzielen, als uit de bomenkruinen, half reeds kaal geschud, dwarlend de leste blren vielen, spreiden op de aarde een deken, voos en vaal... Dan hoorde ik twintig klokken, ginder diepe, uitsnikken haar deernisvolle klacht, alsof uit diepe graven tot mij riepen de vrome zielen van het voorgeslacht... O, schilder zijn, mijn Land, om al die schoonheid te vangen, -vast te houden, in n slag, de afwisselende pracht, die gij ten toon spreidt.... Rubens , Rubens zijn n enklen dag! Vinden op mijn palet, neen zoeken, maken, engen en menglen z de smijd'ge spijs, dat elk in hoog'ren luister zou zien blaken de wulpse schoonheid van uw paradijs! Eilaas! Ik heb geen kleuren geen penselen! Ik heb maar woorden, en hoe kil en koud vind ik die nu! Wat is mijn ritmenspelen nu tam en lam, en alle beelden oud! Vlammen moesten de woorden-, meteoren de beelden zijn, de maat een loutre dans, om in een vers een glimpje te doen gloren, needrig Pajottenland, van al uw glans! Pajottenland, gij, land van brave mensen, -van rijke niet, van brave des te meer,- kan wel uw kind u mildren zegen wensen, dan dat gij blijft, als ik u zag weleer...

Deze arme verzen, ver van u geschreven, maar vol van u , zoals mijn hart ook blijft, U worden zij tot onderpand gegeven, Dat ware trouw tot in de dood beklijft!

Antwerpen, 1 juni 1924.

een tienling: tien graanschoven
Als de rijpe koren-of tarwe-aren een licht gekraak lieten horen zei mijn vader: "Hoor! De aren spreken!"

Dit gedicht is een van de meest bekende over het Pajottenland. Het is een ode, vol van de heimwee, van Pol de Mont aan zijn geboortestreek. Beurtelings bezingt hij de het landschap en de landbouwactiviteiten gedurende de vier seizoenen.

Pol de Mont werd in 1857 geboren in Wambeek(Ternat). Aan zijn geboortehuis werd in 1939 een V.T.B.-gedenkplaat aangebracht.

(1) De dichter was waarschijnlijk niet op de hoogte van het werk van J.F. de Gronckel dat in 1852 verscheen.

(2) De heuvel van Ledeberg, in de deelgemeente Pamel van de huidige gemeente Roosdaaal.

(3) is een geodetisch kenteken in de vorm van een ijzeren kolom op een stenen sokkel. Dit werd gebruikt als referentiepunt voor metingen van de aardoppervlakte. Het staat op n van de hoogste heuvels (112m) van het Pajottenland nl.de Kesterheide op grens van de deelgemeenten Kester en Leerbeek van de huidige gemeente Gooik.


Kesterheide: de telecommunicatietoren van het Belgisch leger (afgebroken op 14-15 maart 2005)


Hertboommolen beter bekend als Zepposmolen (PDD)


Lemen huisje in St-Gertrudis-Pede


Lente


Hof Breeeik in de zomer (PDD)


Paarden in de herfst.(PDD)


Winter